Triëst: een van de best bewaarde geheimen van Italië

Kanaal Triëst met uitzicht over de Ponte Rosso, Italië

Gepubliceerd door:
Mandy

De stad Triëst is wellicht een van de best bewaarde geheimen van Italië. In dit artikel vertellen we je waarom deze stad en de gelijknamige provincie Triëst een bezoek meer dan waard zijn.

Triëst: Struin door het oude stadscentrum Città Vecchia, eet als een Habsburger en treed in de voetsporen van James Joyce

Haven van Triëst in Italië

De Via di Cavana, in het oude stadscentrum van Triëst, is als een ouderwets dorpsstraatje. Elke namiddag vult het straatje zich met een stoet Triëstijnen op hun dagelijkse passegiata. Ze onderbreken hun wandeling voor een Aperol-spritz bij het cafeetje op de hoek, of bestellen een ijsje bij Chocolat, een geliefde plek onder buurtbewoners.

Op weg naar huis doen ze hun boodschappen bij de lokale groenteman, die zijn wilde perziken heeft uitgestald op een roodwit-geblokt tafelkleed, en maken nog een laatste stop bij de salumeria, waar de slager zijn venkelworstjes nog zelf draait.

Salami in Italië

Het was niet altijd zo gemoedelijk in Città Vecchia, het oude stadscentrum van Triëst (Trieste, in het Italiaans). De havenstad was tot een eeuw geleden nog een buitenpost van Oostenrijk-Hongarije. Zodoende was het ook een verzamelplaats voor zeelui, handelslieden en gespuis uit alle windstreken.

De havenbuurt en het dichtbevolkte stadscentrum waren dan ook berucht om de vele bordelen, en goedkope drinklokalen waar de zeemannen rond de klok terecht konden voor een shot absint.

Smal straatje in Triëst

Ook de Ierse schrijver James Joyce was een veel geziene gast in de schimmige havenbuurt. Naar verluidt schuimde hij graag langs de bordelen van de Via Pescheria, waar de steegjes nog steeds zó smal zijn, dat je je hoofd in je nek moet leggen om een scheut daglicht op te vangen.

Maar met de inlijving van Triëst bij Italië na de Eerste Wereldoorlog raakte de roemruchte volksbuurt in verval. Alleen de eenzame zeelui waagden zich nog in de smalle straatjes, op zoek naar een dame van plezier in een casa de toleranza. Dat is Italiaans voor bordeel.

Hoe het hier vroeger was? De bebaarde barman met de onheilspellende naam Fausto begint te lachen. ‘Brutto, brutto‘, zegt bij. Slecht, dus.

Fausto opende zo’n 15 jaar geleden zijn bar Knulp, midden in het meest verloederde deel van Città Vecchia. Dat was vlak voordat het stadsbestuur besloot tot een grootscheepse renovatie van de oude stadsbuurt, ingeklemd tussen de haven en het hoger gelegen kasteel Di San Giusto.

Het resultaat mag er zijn: In de schimmige straatjes van voorheen staan de luiken van de in pastelkleuren geschilderde huizen weer open en ruikt het naar drogend wasgoed. In plaats van bordelen en goedkope drinklokalen, struikel je nu over restaurantjes, koffietentjes en galeries. En musea, zoals die gewijd aan James Joyce.

En de zeelui? Die vind je nu weemoedig zwijgend met een biertje aan Fausto’s bar in Knulp, omringd door buurtbewoners.

Toch heeft het oude stadscentrum zijn eeuwenoude karakter weten te behouden. ‘Wij houden de dingen het liefst zoals ze zijn’, verzucht de gepensioneerde zeeman Giorgio Gherlani aan de bar in Knulp.

Dat blijkt. Zo eten de stadsbewoners al sinds de Habsburgse tijd het liefst staand aan de bar van een zogeheten buffet. Het populairste is Da Pepi (‘sinds 1897’), om de hoek van Piazza della Borsa. Het onooglijke eetlokaal heeft nog het meeste weg van een Oostenrijkse stübe, compleet met houten lambrisering en pullen bier van aardewerk.

Achter de bar snijdt een gezette kastelein plakken vlees van een homp heerlijk varkensgebraad, die je opeet met mosterd of mierikswortel en een flinke bel wijn, getapt uit een houten vaatje. Net als in 1897, kortom.

Genieten in een van de vele koffiehuizen

Koffie met een broodje in Triëst

Al even traditioneel zijn de vele koffiehuizen in de stad. De Adriatische zeehaven geldt sinds de 18e eeuw als de belangrijkste doorvoerhaven van koffiebonen in de Mediterranée. Als gevolg sloegen de Triëstijnen ook aan het koffie roosteren. Zo is het beroemde koffiemerk Illy afkomstig uit Triëst. Daarbij openden talloze koffiehuizen, waarvan sommigen nog steeds bestaan.

Zoals Caffè San Marco, het historische literair café waar sinds 1914 schrijvers, muzikanten, studenten en dissidenten bijeenkomen om te schrijven en discussiëren. Het iconische café in Art Nouveau-stijl werd in 2013 gerenoveerd en heeft nu ook een kleine boekhandel.

Nog zo’n klassieker is het Caffè degli Specchi, aan het plein Piazza dell’Unità de Italia. Het koffiehuis op de begane grond van het paleis Palazzo Stratti, in 1839 geopend door een Griek, heeft muren voorzien van spiegels (‘specchi’). Dat had een praktische reden: Elektriciteit bestond in die tijd nog niet en door de spiegels leek het kaarslicht net een beetje meer licht te geven.

Aperol Spritz op het terras in Triëst

Sluit de dag af met een koffie, of nog beter, die Aperol-spritz op het terras van Caffè degli Specchi, aan het weidse plein uitkijkend over de zee. Ons hart heeft deze ‘minst Italiaanse stad’ van de Italiaanse steden, veroverd.

In de voetsporen van James Joyce

Kade van Triëst in Italië

Waar dronk James Joyce het liefst zijn koffie, waar haalde hij zijn ontbijt en wat was zijn favoriete bordeel? Loop de route bedacht door de universiteit van Triëst, langs een veertigtal plekken waar de Ierse schrijver tijdens zijn elf jaar lange verblijf in de stad het vaakst te vinden was.

Tegelijkertijd is de wandeling een ode aan de Habsburgse hoogtijdagen van Triëst, waarmee het ook interessant is voor wie geen idee heeft wie Joyce was. Bij de VVV op het Piazza dell’Unità d’Italia vind je een folder met route en toelichtingen.

Omgeving Triëst: Karstgebergte, Barcola, Castello de Miramare

Val Rosandra in Italië

Neem ook een dag de tijd om de stad uit te gaan, want zowel de bergen als de zee liggen om de hoek.

De provincie Triëst, in de regio Friuli-Venezia Giulia, ligt ingeklemd tussen de Adriatische Zee en het Karstgebergte. Dit gebergte is een met met dennenbossen, wijnranken en appelbomen overgroeid plateau van kalksteen, dat zich uitstrekt tot in Slovenië en Kroatië.

Het Karstgebergte staat bekend om zijn vele onderaardse riviertjes en grotten. Bezoek de allergrootste voor toeristen toegankelijke grot ter wereld, met de toepasselijke naam Grotta Gigante.

Op 20 kilometer van Triëst ligt het natuurgebied Val Rosandra, een bosrijke vallei met aan beide kanten steile rotswanden. Neem een duik in een van de kleine meertjes of vergaap je aan een dertig meter hoge waterval.

Fiets er naartoe over de zogenoemde pista ciclabile, aangelegd langs een voormalige spoorweg van Triëst naar Slovenië. Wandelen kan ook, bijvoorbeeld over het pad dat Napoleon liet uithakken in de kliffen langs de zee. Bij mooi weer heb je een uitzicht over de Golf van Triëst tot in Kroatië.

Castello de Miramare

Aan diezelfde Golf ligt het kasteel Castello di Miramare, het 19e-eeuwse zomerverblijf van Maximiliaan van Habsburg. Het imposante witte kasteel uitkijkend over de zee ligt op acht kilometer van Triëst.

De kust van Triëst is ruig en rotsachtig. Zandstranden vind je er niet, maar vanaf die rotsen duik je evengoed de kalme blauwe zee in. De Triestijnen doen dat het liefst in Barcola, op 10 minuten rijden van het centrum van de stad.

Osmize

Ham en kaas in een Osmize bij Triëst

Huisgemaakte worsten, hammen en wijnen, geserveerd op het erf van de boer. Bij de traditionele osmize vind je la dolce vita zoals Bacchus het bedoeld heeft.

Andar per osmiza is voor de Triestijnen hetzelfde als voor ons een middag in het café. Sinds de tijd dat deze regio deel uitmaakte van het Habsburgse Rijk openen boeren hier om de zoveel tijd een osmiza, een soort drinklokaal waar ze enkele weken of maanden hun huisgemaakte vleeswaren, kazen en wijnen verkopen.

Zodoende is er in elk dorp in de omgeving van Triëst, of beter gezegd in het Karstgebergte, wel een osmiza te vinden. Rij een willekeurig dorp binnen en kijk uit naar een samengebonden takkenbos aan de rand van de weg, de traditionele wegwijzer voor een osmiza.

‘Vroeger waren de osmize vooral iets voor de arme boeren’, aldus Tomaz Fabec, onze gastheer van een osmiza in het dorp Malchina. Meestal was het een lege stal die dienst deed als drinklokaal, waar de dorpelingen al borrelend de dag doorbrachten.

Daar kunnen wij goed inkomen. Met nog geen 5 euro voor een liter vino di terreno is het prima toeven in de osmiza.

Om ons heen heerst een aanstekelijke vrolijkheid van Italiaanse families die, gezeten aan lange picknicktafels, zich laven aan karaffen wijn en planken vol plakken rauwe en gerookte ham, salami en stukken kaas besprenkeld met olijfolie en venkelzaad.

Tegenwoordig weten ook de stedelingen uit Triëst en soms een toerist de osmize te vinden. De stallen van weleer zijn vervangen door lokalen met een geïmproviseerde bar en tafels met geblokte tafelkleden, die wanneer de zon schijnt verplaatst worden naar de tuin.

Oorspronkelijk mocht een osmiza slechts acht dagen geopend zijn – osem betekent acht in het Sloveens. Nu heeft iedere gemeente zijn eigen regels – in Malchina is de openingstijd afhankelijk van het aantal varkens en de hoeveelheid geproduceerde wijn.

Nog een dwingende regel in Malchina: het is ten strengste verboden om iets van buiten de regio te verkopen. ‘Er zijn osmize die zoetigheden met Nutella verkopen’, zegt Tomaz smalend. Daar doen de Fabecs niet aan. Hier vind je strudel met appels uit eigen boomgaard en crêpes gevuld met de jam van oma Fabec. Zoals het hoort.